Burg Nideggen: het stamslot van de hertogen van Gulik en de band met Kessenich
BURG NIDEGGEN, STAMSLOT VAN DE HERTOGEN VAN JÜLICH.
UITGANGSPUNT VAN EEN BROK LIMBURGSE GESCHIEDENIS
Dr. Jan Vaes
In de Ruhreifel, niet ver van Düren en Aken, liggen het oude stadje Nideggen en de gelijknamige burcht vredig langs elkaar in een adembenemend landschap. Bovendien is het romaanse kerkje van Nideggen een bezoek overwaard, onder meer door de oeroude wandschilderingen. De site is werkelijk uniek: zelden vindt men nog een middeleeuws stadje quasi intact binnen zijn oude muren, torens en poorten terug met daarbij een indrukwekkend slot. Dat kende een geschiedenis, typisch voor de Euregio Rijn-Maas, een bewogen geschiedenis die veel raakpunten heeft met die van Loon, de oude naam voor het huidige Limburg.
Vanaf ca. 1323 tot de Franse Revolutie bijvoorbeeld was de heerlijkheid Grote-Brogel-Erpekom (deelgemeenten van het huidige Peer) en een deel van de Limburgse grensgemeente Kessenich eigendom van de Gulikse hertogen, waarvan in Nideggen het stamslot stond en nog steeds indrukwekkend de omgeving beheerst. Zij gaven Grote-Brogel-Erpekom en het stukje Kessenich eeuwenlang in leen aan roemruchte geslachten.
De burcht van Nideggen werd in de 12de eeuw gebouwd als stamslot van de graven - later hertogen - van Jülich (Gulik). De eerste graaf met deze titel was een zekere Gerhard, die ca. 1018-1029 moet geregeerd hebben. Vier generaties later was Gerhard IV graaf van Gulik; diens broer Alexander werd in 1128 prins-bisschop van Luik en was krachtens die titel leenheer van de graaf van Loon. Deze Alexander werd echter in 1135 afgezet. Kort daarop stierf hij.
Honingzoete vrouwen
De kleinzoon van graaf Gerhard IV van Gulik was Wilhelm II (de Grote), die door zijn huwelijk in 1177 met Alveradis von Saffenberg zijn Guliks gebied sterk kon vergroten: zij was immers de enige erfgenaam van het geslacht Maubach-Nörvenich. Deze liet te Nideggen prompt de nog bestaande monumentale donjon of woontoren bouwen, vanaf dan de residentie van het Guliks grafelijk huis. Deze Willem II wist echter zijn macht nog op andere wijzen uit te breiden. Zijn burcht, Nideggen, verkocht hij aan de Keulse aartsbisschop, vanouds één van de machtigste personages in het Duitse Rijk, en kreeg ze in leen van hem terug, een veel toegepaste handelswijze, waarbij beide partijen wonnen: Wilhelm II had het slot weliswaar niet meer in eigendom, maar voortaan wel in leen en verzekerde zich zo van een machtig beschermheer; de aartsbisschop van zijn kant, kreeg de burcht in eigendom en kon, door ze in leen te geven aan Wilhelm II, rekenen op een machtig leenman, die hem krachtens de leenband militair moest steunen, hetgeen kort daarop ook gebeurde in een conflict tussen de Duitse keizer, Frederik Barbarossa (1123-1190), en de Keulse aartsbisschop.
Volgens Caesarius von Heisterbach (ca. 1180 - na 1240), prior van het gelijknamige cisterciënzerklooster bij Königswinter, een gekend auteur van kronieken, zou graaf Wilhelm II van Jülich in 1207 gestorven zijn in de armen van een minnares. Zijn vrouw, Alveradis, waaraan hij een groot stuk van zijn territoriale macht te danken had, zou hij verstoten hebben. Volgens een legende zou hij haar zelfs naakt en besmeurd met honing in een kooi aan de buitenzijde van de donjon van Nideggen gehangen hebben, opdat zij zou bezwijken onder de insectenbeten. Hofdames redden haar evenwel en Wilhelm zou, daarover ten zeerste vertoornd, van zijn paard zijn gevallen, de nek breken en sterven.
Hoe dan ook, Willem II bleef kinderloos, zodat de erfenis Jülich-Nideggen-Maubach-Nörvenich werd overgedragen op de man van Wilhelms zus, Jutta van Jülich. Zij huwde voor 1190 met Eberhard von Heimbach, die dus titelvoerder van de Gulikse erflanden werd. Uit hun huwelijk kwamen acht kinderen voort: hun oudste zoon, Wilhelm, werd in 1208 graaf Wilhelm III van Jülich. Hij huwde Mathilde van Limburg maar sneuvelde in Egypte, tijdens een kruistocht. Hun zoon werd de nieuwe stamhouder met de naam Wilhelm IV. Deze graaf van Gulik zou zich ontpoppen als een geducht heerschap.
Op slot in het slot
Wilhelm IV van Jülich, die lang regeerde, van 1219 tot 1278, kwam namelijk in conflict met zijn leenheer, de ambitieuze Keulse aartsbisschop, Konrad von Hochstaden (episcopaat van 1238 tot 1261). Deze had zich immers - loyaal tegenover de paus - tegen keizer Frederik II (1194- 1250) opgesteld, die door de paus geëxcommuniceerd was. Een coalitie van Lotharingse vorsten trachtte van de situatie gebruik te maken om de macht van de Keulse aartsbisschop te breken, die immers wereldlijk heerser was over het Keulse Erfstift en verschillende andere graafschappen én tegelijk geestelijke macht had over hun regio's als aartsbisschop. De Keulse aartsbisschoppen streefden ernaar hun Erfstift en diocees te laten samenvallen en dus hun wereldlijke macht te vergroten. Bij de anti-bisschoppelijke coalitie sloten de hertogen van Brabant, Limburg, de graven van Loon en Gelder aan evenals graaf Wilhelm IV van Gulik. De strijd kende wisselende kansen.
De steden Jülich en Bonn gingen in vlammen op, maar in februari 1242 viel de aartsbisschop van Keulen, Konrad von Hochstaden, bij de Slag van Badewald in handen van Wilhelm IV, graaf van Jülich. Die zette de bisschop gevangen in de kerker van de donjon van Nideggen.
Na onderhandelingen en tegen betaling van de voor die tijd grote som van 4000 Mark kon hij zich na negen maanden vrijkopen. Om zich voortaan van hun steun te vergewissen gaf de aartsbisschop aan de burgers van Keulen verschillende privileges. Hij legde er trouwens in 1248 de eerste steen van de nieuwe dom. Onder zijn opvolger, Engelbert (II) van Valkenburg (aartsbisschop van Keulen van 1261 tot 1274) ging de strijd verder.
In 1267 wist deze aanvankelijk succesvol in het land van Gulik te opereren, maar ook hij viel, bij de Slag van Zülpich (1267), in handen van Willem IV van Gulik: opnieuw had de kerker van de burcht van Nideggen dus hoog bezoek. Nu echter bleef deze Keulse kerkvorst er drieënhalf jaar opgesloten! De bemiddelingen van de pauselijke gezant, noch de kerkban die de paus in 1268 over de graaf van Jülich en zijn onderdanen uitsprak veranderden iets aan de situatie. Pas door toedoen van de theoloog Albertus Magnus (1206-1280), losgeld én territoriale toegevingen kwam de aartsbisschop vrij. Dat moet een hele opluchting zijn geweest, want hij had al eens gevangen gezeten in 1263: de burgers van Keulen hadden hem toen in hechtenis genomen. Voor beide kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders werden bijzondere faciliteiten voorzien in de kerker van Nideggen: een kleine, nu dichtgemetselde, maar goed herkenbare bres werd in de muur gehakt, zodat zij het altaar konden zien van de aanpalende burchtkapel.
Bejaarde vechtersbaas
Deze Wilhelm IV van Jülich was tweemaal gehuwd, in 1237 met Margareta van Gelder (Gelre), die in 1251 stierf; de graaf huwde daarna haar zuster, Richardis of Richarda (ook Irmgardis genoemd) van Gelder. Beide zussen waren dochters van Gerard, graaf van Gelder en Margareta van Brabant die de Munsterabdij van Roermond stichtten in 1224 en er ook begraven liggen in een prachtige graftombe.
Wilhelm IV van Gulik en Richardis hadden elf kinderen. Wilhelm stierf geheel in de stijl van zijn tumultueus leven. In een poging om de stad Aken in naam van de Duitse keizer een zware belasting op te leggen, kwam hij, hoogbejaard, met een gevolg van 476 manschappen op 16 maart 1278 in deze stad met zijn zonen (waaronder Wilhelm, gehuwd met Maria, een dochter van Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen).
De keizer had beter anderen gestuurd, want Aken en de graaf van Jülich leefden, om andere redenen, al geruime tijd op gespannen voet. Het opzet mislukte: in de straten van Aken liepen schermutselingen uit de hand en Willem en zijn oudste zoon werden door Akense burgers gedood, evenals talrijke van zijn manschappen. Hun lijken bleven zelfs twee jaar in deze stad liggen, want de graaf was nog steeds door de pauselijke excommunicatie van 1268 getroffen, zodat hij niet kon begraven worden. Pas bij het zogenaamde Zoenverdrag tussen Aken en Jülich (20 september 1280) werd hij bijgezet in de romaanse Sint-Janskerk van Nideggen. Wilhelm IV en (later zijn vrouw Richardis) kregen er dan het nog bestaande praalgraf. Zij stierf tussen 1293 en 1298.
De Loonse connectie: Nideggen, Grote-Brogel-Erpekom en Kessenich
Eén van hun elf kinderen, Mathilde (Mechtildis van Jülich), huwde omstreeks 1258 met Jan l, graaf van Loon. Door de dood van Wilhelm IV en zijn oudste zoon te Aken in 1278 barstte de zogenaamde Gulikse Successieoorlog (1278-1280) los: van de elf kinderen van Wilhelm kwamen immers alleen de jongens in aanmerking voor de erfopvolging; één sneuvelde met zijn vader te Aken, terwijl Walram en Otto voor kerkelijke dienst gewijd waren, respectievelijk als proost te Aken en als aartsdiaken in Luik. Alleen Gerard bleef over.
De aartsbisschop van Keulen, geholpen door Jan I, hertog van Brabant, steeds erop uit zijn macht oostwaarts uit te breiden, trachtte de situatie uit te buiten en veroverde vrijwel alle steden en burchten van het land van Jülich. Nideggen hield stand ook al was de situatie hachelijk. De Brabantse hertog was al tot advocatus superior van Keulen aangesteld. Tegen dit Keuls-Brabants blok werd een grote 'coalitie van de 35' op touw gezet, waartoe Jan, graaf van Loon (1276-1279), door zijn huwelijk met Mechtildis van Gulik nochtans betrokken partij, niet toetrad. Zijn zoon en opvolger, Arnold V (graaf van Loon tussen 1279 en 1323), verdedigde wél de familie van zijn moeder: hij schijnt zelfs een hoofdrol gespeeld te hebben om de indringers te verjagen uit heel het territorium van Jülich.
Tot het patrimonium van de graven, later hertogen van Jülich behoorde ongeveer 2/7de van de heerlijkheid Kessenich - de andere 5/7de waren Brabants - evenals de Loonse heerlijkheid Grote-Brogel-Erpekom.
Voor 1327 reeds droeg de graaf van Loon blijkbaar deze laatste heerlijkheid - waarschijnlijk als fief de reprise (opgedragen leen) – op aan de graaf van Gulik. Als een leenman overleed zonder erfgenamen, ging het leen automatisch terug naar de leenheer. Dat gebeurde waarschijnlijk logischerwijze ook met Grote-BrogeI-Erpekom, wanneer de laatste graaf van Loon zonder wettelijke erfgenamen stierf in 1361.
Veraf gelegen van het graafschap Jülich en ver van hun stamslot, Nideggen, gaven de graven van Gulik deze dubbelheerlijkheid dan eeuwenlang aan adellijke leenmannen in leen, achtereenvolgens aan de heren van Elsloo, de heren van Born, de graven van Horn.
Deze laatsten hielden Grote-BrogeI-Erpekom in leen van de hertogen van Gulik tot (Egmont en) Horn, als leiders van de opstand tegen het Spaans gezag in de Nederlanden, onthoofd werden door Alva op de Grote Markt te Brussel in 1568. De bezittingen van de Hornes werden daarbij verbeurd verklaard behalve de heerlijkheid Grote-Brogel- Erpekom, die zij immers niet in eigendom, maar in leen hadden van de hertogen van Gulik. Die geven het vanaf dan ook opnieuw te leen aan de Brabantse graaf de Lalaing en dan aan graaf Herman von Neuenahr.
De graven van Gulik die in Nideggen steeds hun stamslot hielden en het als residentie gebruikten, kregen intussen in 1356 de hertogelijke titel. In 1371 kwam het huis Gulik aan de regering in Gelre. Er ontstond dus een personele unie van beide hertogdommen, een groter machtsblok.
Door het huwelijk in 1521 van Maria, enige erfdochter van de hertogen van Gulik, waartoe ook Berg behoorde, met hertog Jan van Kleef, werden de drie heerschappijen Gulik-GeIre, Berg en Kleef, met elkaar verbonden: een grote territoriale cluster ontstond dus in noordwest-Duitsland. Grote-Brogel-Erpekom en een deel van Kessenich bleven daarvan lenen.
De Duitse keizer, Karel V (1500-1558), die ook koning van Spanje was en de Bourgondisch-Nederlandse gewesten door erfenis bekomen had, wilde ook Gelre in zijn statencomplex opnemen. Hij botste daarbij op hertog Willem V, die inmiddels Gulik, Gelre, Berg, Kleef, Mark en Ravensberg in zijn persoon verenigde. De oorlog brak uit in 1542. Karel V belegerde onder andere met succes de burcht van Nideggen en Willem moest buigen bij het Verdrag van Venlo in 1543: hij mocht Gulik (en de Gulikse lenen, zoals Grote-Brogel-Erpekom evenals Kessenich) behouden, maar moest Gelre en Zutphen afstaan, dat bij de Nederlanden werd gevoegd.
Na het uitsterven van het vorstenhuis Gulik-Kleef-Mark-Berg met de dood van hertog Johann Wilhelm (25 maart 1609) begon een strijd over deze grote nalatenschap tussen protestantse en katholieke machtsblokken.
Bij het Verdrag van Xanten in 1614 werd beslist dat het Zuid-Duitse geslacht Pfalz-Neuburg Gulik en Berg kreeg en dus ook de oude Gulikse heerlijkheden, zoals de leenheerlijkheid Grote-Brogel-Erpekom en een deel van Kessenich; Brandenburg kreeg de andere gebieden. Dit verdrag werd bekrachtigd in 1666 door het Verdrag van Kleef.
Heinrich Aldegrever (1502-1558), Wilhelm, hertog van Gulik, Gelre, Kleef, Berg, graaf van de Marck, Zutphen en Ravensberg, heer van Ravenstein in 1540 ( 1516-1592), gravure ca. 1540. Onder zijn bewind werd Burg Nideggen veroverd door keizer Karel V © Wikipedia
De oudste zoon uit het geslacht Pfalz-Neuburg had telkens de functie van paltsgraaf, en was dus één van de zeven keurvorsten en dus één van de machtigste heren van het Duitse rijk: keurvorsten kozen immers de Duitse keizer. Deze keurvorsten van de Pfalz-(Neuburg) gaven, als hertogen van Gulik, vanaf 1614 Grote-BrogeI-Erpekom in leen, achtereenvolgens aan de graven van Hoensbroeck, de graven von Hompesch-zu-Ruhrich en de graven von Nesselrode-Ehreshoven (tussen 1758 en 1762).
Na de belegering en daaropvolgende verovering en gedeeltelijke verwoesting van Nideggen door Karel V in 1542 was de glorietijd van het Guliks stamslot Nideggen voorbij. De hertogen van Gulik resideerden voortaan in de stad Jülich en nog later in Düsseldorf. Niettemin bleef Burg Nideggen bewoond.
Kessenich was eeuwenlang, zoals Grote-BrogeI-Erpekom, een Guliks leen, maar slechts gedeeltelijk. Wanneer Johanna van Kessenich huwt met Jan van Montenaken blijkt immers 5/7de van Kessenich een Guliks leen te zijn en 2/7de een leen van de hertog van Brabant.
Omstreeks 1340 heeft Otto I van Born, Kessenich in leen evenals de heerlijkheid Grote-Brogel-Erpekom. Wanneer zijn weduwe, Catharina van Wildenberg (dit is een zijtak van het Eifelse geslacht Reifferscheid), hertrouwt met Renier van Schoonvorst, (Reinoud I) blijkt het Brabantse Kessenich naar hem te gaan, het Gulikse Kessenich naar haar zoon uit het eerste huwelijk, Otto II van Born en Elsloo.
Door een eigenaardig toeval (?) komen beide lenen, het Brabantse en het Gulikse van Kessenich, terug in één hand - in personele unie - door het huwelijk in 1402 tussen een erfgename van het geslacht Reifferscheid, die het Guliks deel in leen had, en Jan II van Bronshorn of Horn, die erfgenaam was van het Brabants deel van Kessenich.
De afstammelingen weten deze 'unie' te bewaren tot 1467. Dan immers worden de Brabantse goederen van Jan de Wilde (1430-1468), heer van Kessenich, door Karel de Stoute verbeurd verklaard.
Karel de Stoute, hertog van Bourgondië en onder meer graaf van Vlaanderen en Hertog van Brabant had immers het prinsbisdom Luik veroverd en de stad Luik en haar milities vernietigd. Eén van de kopstukken van het verzet tegen deze Bourgondische agressie was uitgerekend Jan de Wilde, heer van Kessenich, die te Luik sneuvelde in 1468. Hij was kinderloos.
Karel de Stoute geeft dan Kessenich aan Filips van Horne, heer van Bassigny en Gaasbeek, die in 1467 leenverhef betaalt voor het Brabants deel van Kessenich aan de hertog van Brabant (dus aan Karel de Stoute) en in 1468 leenverhef betaalt voor het Guliks deel van Kessenich aan de hertog van Gulik.
In 1469 verliest Filips van Horne evenwel Kessenich ten voordele van Catharina van Horne, waarvan de echtgenoot - leenverplichtingen konden immers normaliter alleen door mannen nagekomen worden - Jan Collard van Lynden was. Deze stam zal dan eeuwenlang nog Kessenich in leen houden van Brabant en Gulik.
Burchtheuvel (motte) van Kessenich, in leen gegeven door de Gulikse hertogen
Bibliografie
- Aschenbroich, M., Geschichte des Schlosses und der Stadt Nideggen, Düren, z.d.
- Corsten, S., Die Grafen von Jülich unter den Ottonen und Saliern, in Beiträge zur Jülicher Geschichte, (1973), 3-20.
- Henkens. P., De geschiedenis van Kessenich, z.p.,1979.
- Herborn, W., Jülich, in Lexikon des Mittelalters, 5, Munchen-Zürich, 1991 , 803-806.
- Janssen, W., Kleve-Mark.Jülich-Berg-Ravensberg 1400-1600, in Land im Mittelpunkt der Mächte, Kleef, 1985, 17-40.
- Klucke, W.-D., Die Aussenbeziehungen der Grafen von Jülich aus dem Hause Heimbach (1207-1361). Inauguraldissertation zur Erlangung der Doktor-würde vorgelegt der Philosophischen Fakultät der Rheinischen Friedrich- Wilhelms-Universität zu Bonn, Bonn, 1994.
- Kraus, Th. R., Jülich, Aachen und das Reich. Studien zur Entstehung der Landesherrschaft der Grafen von JüIich bis zum Jahre 1328 (= Veröffentlichungen des Stadtarchivs Aachen, 5), Aken, 1987.
- Land im Mittelpunkt der Mächte — Die Herzogtümer Jülich, Kleve. Berg, uitgegeven door het Städtischen Museum Haus Koekkoek Kleve und Stadtmuseum Düsseldorf, Kleef, 1985.
- Pauls, E., Erinnerungen an den zu Aachen am 16. März 1278, erschlagenen Grafen Wilhelm IV von Jülich, in Zeitschrift des Aachener Geschichtsvereins, 25 (1903), 87-132.
- Schafer, Th, Die Pfarrkirche St. Johannes in Nideggen, (= Rheinische Kunststätten, 200), z.p., 1985.
- Wisplinghoff, E., Konrad von Hochstaden - Erzbischof von Kôln (1205-1261), in Rheinische
- Lebensbilder 2, im Auftrag der Gesellschaft für Rheinische Geschichtskunde, Düsseldorf, 1966, 7-24.
Dit artikel is een herwerking van de bijdrage die J. Vaes schreef voor het Driemaandelijks Tijdschrift van de Geschied- en Heemkundige Kring Kinrooi, jaargang 24, nr.2, 2005, 55-59. Met toelating van de redactie.
Wilt u deze bijzondere geschiedenis en wandeling door Nideggen zelf beleven?
Jan Vaes kan deze route ook voor u gidsen.
Voor meer informatie of een aanvraag kunt u hem bereiken via dr.janvaes(at)gmail.com
Meer lezen over dit onderwerp
Zin in nog meer ontdekkingen? Je reis hoeft hier niet te stoppen.
- Zoek je naar andere bezienswaardigheden in de buurt, raadpleeg dan onze Ontdek onze interactieve VeDi-kaart
- Blader verder in onze overzichtslijsten per thema of per regio
- Extra inspiratie nodig? Bezoek ook de toeristische dienst van de streek voor actuele informatie over evenementen, openingsuren en tijdelijke activiteiten.
Fotografie: © Veerle Boriau (tenzij anders vermeld) - Tekst: Diane Geerts | Gepub. 13 augustus 2026
Een gastbijdrage van dr. Vaes. Dank je wel Jan!









